Taalniveau blijft niet djoeken
Het is al best lang geleden dat ik me voor het eerst een klein beetje oud voelde, omdat een zesjarig jongetje tegen mij zei: ‘Ha, gedist!’ Ik begreep niet wat hij bedoelde, waarmee hij me pas echt gedist had. Inmiddels staat ‘dissen’ in de Van Dale, ergens tussen ‘dakken’ en ‘flowen’.
Mensen die écht oud zijn zullen de ontwikkelingen misschien met lede ogen aanzien, maar zoals dagblad De Pers vorige week schreef: straattaal heeft terrein gewonnen. Taalwetenschapper en schrijver René Appel legt in de krant uit dat die opkomst helemaal geen slechte zaak is.
Smurfentaal
Appel ontkracht de mythe dat gebrekkige taalvaardigheid leidt tot straattaal. Volgens Appel hebben jongeren met een taalachterstand juist moeite met de beheersing van straattaal. Hij ziet het fenomeen dan ook vooral als een creatieve uitspatting. Dat wisten wij natuurlijk al sinds Watskeburt, maar Appel zag de positieve kanten van straattaal al eerder. Hij bedacht de term zelf, eind jaren negentig, als alternatief voor het denigrerende ‘smurfentaal’.
Integratie
Nog mooier dan de creativiteit is de brug die straattaal slaat tussen jongeren uit verschillende culturen. Volgens De Pers vinden jongeren toenadering tot elkaar, door elkaars taal over te nemen. Straattaal getuigt dus van integratie.
Woorden uit het Surinaams, expressies uit het Marokkaans
Straattaaluitingen ontstaan niet geheel willekeurig. Bekend zijn natuurlijk de woorden, zoals ‘djoeken’, die ontleend zijn aan het Surinaams met name. Expressies en uitroepen komen dan weer eerder uit het Marokkaans. Denk aan ‘tfoe’. Ook het accent wordt van Marokkaanse jongeren afgekeken.
Context
Volgens De Pers is straattaal afhankelijk van de context waarin jongeren zich bevinden. In een serieuze omgeving als een klaslokaal, zouden leerlingen dus geen ‘fatoes’ moeten uithalen of de leraar moeten dissen. En voor wie zijn leerlingen toch niet meer verstaat, is er nog altijd het Straatwoordenboek.